nederlandse vereniging voor kunstzinnige therapieën

Verslag van de presentatie van Anne Ponstein, 49e internationale muziekconferentie 2017 Zutphen

Door Redactie - 29 oktober 2017

Aan het eind van een therapeutisch traject zou je je als therapeut de vraag kunnen stellen of het proces interessant (genoeg) is om met anderen te delen/ te bespreken: is de casus een mooi voorbeeld van het handelen van kunstzinnig therapeuten in de praktijk? Is er iets gebeurd tijdens het traject dat onverwacht is? Iets dat ingaat tegen de theorie? Geeft de casus aanknopingspunten om een theorie over het werkingsmechanisme van kunstzinnige therapie te vormen? Kan de casus gebruikt worden om het verband tussen de interventie (kunstzinnige therapie) en het opgetreden effect aannemelijk te maken of misschien zelfs overtuigend te maken? Etc.

Als duidelijk is dat je een verhaal hebt en dat je een boodschap over wil brengen kun je kiezen uit verschillende vormen om het therapeutische proces te beschrijven: de narratieve, de verklarende, de theorievormende en de evaluerende vorm. De keuze hangt af van de boodschap maar ook van de doelgroep die je voor ogen hebt. Voor alle casusbeschrijvingen wordt informatie over het verloop van het proces, bij voorkeur uit het patiënten- of cliëntendossier dat tijdens het therapeutische proces gevuld is, gehaald (en dus niet uit een dossier dat achteraf, retrospectief bij elkaar gebracht is). De aandachtspunten voor het opstellen van het dossier zijn in de documentatiemethode van Annemarie Abbing (ingediend voor publicatie) terug te vinden.

 

In de narratieve casusbeschrijving wordt het therapeutische proces in detail beschreven: de diagnostiek, het behandelplan, de gegeven oefeningen (inclusief overwegingen om voor de oefeningen te kiezen), de (belangrijkste) interventies per sessie, de (belangrijkste) aandachtspunten qua attitude, de manier waarop de opdrachten uitgevoerd zijn, door de cliënt op interventies gereageerd is, opmerkingen die de cliënt tijdens de sessie gemaakt heeft etc. Het is het handigste om elke sessie kort weer te geven, aan te geven hoeveel tijd er verstreek na de vorige sessie, kort te beschrijven hoe de week, na de voorgaande sessie, voor de cliënt geweest is en op welke manier de cliënt zich bij aanvang en tijdens de sessie presenteert.

Daarnaast is het handig om klachten van cliënten regelmatig te objectiveren (te meten), bv. door het gebruik van visueel analoge schalen (een lijnstukje van 10 cm met twee duidelijk geformuleerde ‘uitersten’ waartussen een cliënt zichzelf kan scoren. Bv. hoe scoort u uw gezondheid (op een lijnstuk dat loopt van zeer ongezond tot zeer gezond). Ook is het wenselijk om op basis van een aantal punten, waaraan het behalen van het behandeldoel af te lezen valt (observatie- en evaluatiecriteria), de kwaliteit van het therapieproces te beoordelen. Als therapeut bij voorkeur bij elke sessie. Voor betrokkenen zo vaak als nodig/ mogelijk.

In de inleiding van de casusbeschrijving (zie CARE-AAT-richtlijn, Abbing et al. 2016) wordt inhoudelijke uitleg gegeven over de indicatie van de cliënt (in algemene termen en met verwijzing naar relevante literatuur), de gebruikte technieken en werkingsmechanismen (met literatuurreferenties) en andere relevante achtergrondinformatie, die de lezer nodig heeft om het verslag van de sessies (dat volgt op de inleiding) te begrijpen. De inleiding wordt geschreven nàdat het therapeutische traject afgerond is en nàdat duidelijk is wat de reden is om het traject te verslaan, wat de boodschap van het verhaal is. De inhoud van de inleiding wordt dus medebepaald door de aard van de boodschap die de auteur wenst te maken.

In de discussie (zie CARE-AAT-richtlijn, Abbing et al. 2016) wordt teruggeblikt op het therapeutische proces en kunnen de (medium-specifieke) grote lijnen geaccentueerd worden (waar mogelijk met referentie naar literatuur), kan het behandelplan met het feitelijke verloop van de therapie vergeleken worden met literatuur en impliciete vakkennis (op basis van gebruikte technieken, gestelde doelen etc.), kan het effect van de therapie in een groter kader geplaatst worden etc. De keuze van thema’s zal, net als bij de inleiding, afhangen van de boodschap die de auteur voor ogen heeft.

Bij het formuleren van de evaluatiecriteria (in lijn met het behandeldoel), voor documentatie van het verloop van het therapeutische proces, het vullen van het dossier met de goede informatie, het schrijven van de inleiding en het schrijven van de discussie kan het handig zijn om de hulp van een onderzoeker (bv. van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg in Leiden) in te schakelen: iemand die objectief naar de informatie kijkt, die kan helpen met het helder formuleren van observatie- en evaluatiecriteria aan behandeldoelen, het formuleren van vragen om overwegingen helder te krijgen etc.

Het beschrijven van casussen leidt tot kennisvergroting binnen de beroepsgroep, beschrijving van die kennis en uiteindelijk tot materiaal dat gebruikt kan worden om naar de effecten van kunstzinnige therapie te krijgen. Iets dat in de huidige maatschappij van kunstzinnig therapeuten gevraagd wordt.

 

REFERENTIES

Abbing, A., Ponstein, A., Kienle, G., Gruber, H., Baars, E. (2016). The CARE-AAT Guideline: Development and Testing of a Consensus-based Guideline for Case Reports in Anthroposophic Art Therapy. International Journal of Art Therapy, 21, 46-55.

Abbing, A.C., Ponstein, A.S., Hoekman, J., van Hooren, S. & Baars E.W. (ingediend). Wetenschappelijk verantwoorde casusbeschrijvingen vragen om methodische documentatie. De ontwikkeling van een documentatiemethode gebaseerd op de CARE-AAT-richtlijn. Tijdschrift voor Vaktherapie.